Termen en begrippen

©BELGA

Bij de bespreking van bedrijfsresultaten worden specifieke afkortingen gebruikt. EBITDA (of bedrijfscashflow) staat voor earnings before interest, taxes, depreciation and amortization. In het Nederlands: winst voor intrest, belastingen, afschrijvingen en waardeverminderingen. Het is een ‘zuiverder’ winstbegrip dan de nettowinst, omdat het bepaalde boekhoudkundige vertekeningen uitsluit, maar evengoed zaken kan verbloemen door uitzonderlijke elementen (die soms een recurrent karakter hebben) uit te sluiten. Interpretatie blijft belangrijk. De EBITDA is niet te verwarren met de vrije kasstroom of free cashflow (alle cashinkomsten minus alle cashuitgaven). Afschrijvingen zijn een boekhoudkundige vermindering (afboeking) van de waarde van een actief. Voor een gebouw wordt bijvoorbeeld een levensduur van 20 jaar genomen. Elk jaar wordt dan 5% ‘afgeschreven’ van het geïnvesteerde bedrag, die in mindering komt van het resultaat. Waardeverminderingen (bijvoorbeeld op voorraden) zijn hieraan verwant, maar zijn eerder eenmalig van aard.

Boekhoudkundige termen

©BELGA
maatstaven en ratio’s

werkkapitaal: vlottende activa minus financiële schulden.

solvabiliteit: mate waarin een bedrijf kan tegemoet komen aan haar  verplichtingen.

schuldratio: nettoschuld/EBITDA.

schuldgraad of gearing: schulden/eigen vermogen.

liquiditeit: balansmatig de mate waarin een bedrijf kan tegemoet komen aan zijn kortetermijnverplichtingen. Inzake het aandeel wordt de term ook gebruikt om aan te duiden of het al dan niet vlot verhandelbaar is.

netto schuld of netto kaspositie: financiële schulden minus liquide middelen (cash, kortetermijninvesteringen, etc).

EV of enterprise value: marktkapitalisatie (aantal aandelen x koers) + netto schuld.

convenanten: afspraken rond ratio’s die met de schuldeisers (banken) werden gemaakt bij het verstrekken van kredieten.

De staat van het vermogen van een onderneming noemen we de balans. Op de balans staan aan de rechterkant de passiva en aan de linkerkant de activa van het bedrijf. Die zijn - zoals de naam aangeeft - steeds aan elkaar gelijk.

 Passiva zijn de herkomst van het vermogen. Het bestaat uit eigen vermogen en vreemd vermogen. Eigen vermogen (of boekwaarde) is het gedeelte van de waarde van het bedrijf dat de aandeelhouders toekomt. Het is hun inbreng plus de gereserveerde winsten (min de verliezen). Vreemd vermogen komt de schuldeisers (banken, obligatiebeleggers, leveranciers, belastingdienst, etc) toe. Een kredietlijn/-faciliteit is de mogelijkheid om snel bijkomende schulden op te nemen.

 Activa zijn de aanwending van het vermogen. Vlottende activa (cash, beleggingen, voorraden, vorderingen,...) kunnen relatief gemakkelijk ten gelde worden gemaakt. Vorderingen zijn claims op bepaalde bedragen (bijv. klanten die nog moeten betalen). Vaste activa (machines, gebouwen, terreinen,...) kunnen minder vlot te gelde worden gemaakt. Immateriële vaste activa zijn niet tastbaar (octrooien, patenten, bedrijfsgeheimen, goodwill, etc). Goodwill is het bedrag dat bij overnames boven de boekwaarde werd betaald. Financiële vaste activa zijn belangen in andere bedrijven (bijv. dochterbedrijven) op lange termijn.

Corporate actions

Verrichtingen op effecten noemen we corporate actions. Vaak wordt hierbij een prospectus uitgegeven, een lijvig document waarin alle relevante informatie wordt vermeld. Dat gebeurt alleszins bij een beursgang of IPO (initial public offering). Hierbij komt een bedrijf voor het eerst naar de beurs en biedt het aandelen aan het publiek aan (primaire markt). Vanaf dan kunnen investeerders met elkaar handelen op de secundaire markt (de beurs). Een bedrijf kan een kapitaalverhoging doorvoeren, waarbij nieuwe aandelen worden uitgegeven (emissie). Bestaande beleggers krijgen dan vaak voorkeurrechten om hierop in te tekenen. Ze geven recht om bijv. per 5 bestaande aandelen één nieuw aandeel aan te kopen aan een bepaalde prijs. Die rechten kunnen ze dan uitoefenen of verkopen aan andere beleggers die willen intekenen. De inschrijvingsprijs ligt gewoonlijk onder de koers om investeerders aan te trekken. Steeds vaker worden kleine aandeelhouders gepasseerd en worden aandelen uitgegeven via een private plaatsing bij institutionelen (grote investeerders). Nieuwe aandelen brengen wel geld in het laatje, maar zorgen ook voor verwatering aangezien de toekomstige winst verdeeld moet worden over meer aandelen. Soms worden converteerbare obligaties (of convertibles) uitgegeven. Hierbij kunnen obligaties omgezet worden in een vooraf vastgelegd aantal aandelen.

obligaties

coupon: (meestal jaarlijkse) intrest die de investeerder ontvangt van de uitgever.

coupure (nominale waarde): (kleinste) waarde waarin de obligatie is uitgegeven.

achtergesteld: schuldeisers staan achteraan de rij om terugbetaald te worden bij een faling.

perpetueel/eeuwigdurend: zonder eindvervaldag.

rating: score rond kredietwaardigheid toegekend door een gespecialiseerd bureau (gewoonlijk S&P of Moody’s). Hierbij wordt vaak het onderscheid gemaakt tussen kwaliteit (investment grade) en speculatief (junk/high yield).

onder/boven pari: werd uitgegeven of noteert onder/boven de hoofdsom (bedrag betaald op de eindvervaldag).

inflatiegelinkt (TIPS): coupon beweegt deels mee met de inflatie (stijging van het algemene prijspeil).

Een bedrijf kan ook een kapitaalvermindering doorvoeren, waarbij geld wordt terugegeven aan de aandeelhouders, wat het vermogen van de onderneming dus ‘vermindert’. Bij een dividend (coupon) betreft het een regelmatig (meestal gradueel verhoogd) bedrag dat de aandeelhouders wil laten delen in de winst van het voorbije boekjaar. Als er tweemaal per jaar wordt uitgekeerd, spreken we van een interim- en slotdividend. Wanneer het recht op een uitkering onthecht wordt, zeggen we dat een aandeel ex-dividend of ex-coupon gaat. Dan zal de waarde van het aandeel gewoonlijk dalen, omdat een nieuwe koper geen recht meer heeft op die uitkering. Wanneer gekozen kan worden tussen een uitkering in cash of aandelen spreekt met van een keuzedividend. Een andere manier om kapitaal terug te geven is de inkoop van eigen aandelen. Vaak worden die vervolgens vernietigd, zodat de winst over minder aandelen verdeeld moet worden. 

 Wanneer een bedrijf een ander over wil nemen, krijgen we een overnamebod. Dat kan vriendelijk of vijandig zijn, naargelang het management van het doelwit al dan niet akkoord gaat. Als het overgrote deel van de aandelen verworven werd, volgt gewoonlijk een squeeze-out of uitrook-/uitkoopbod om de resterende aandeelhouders uit te kopen. Een samengaan van ‘gelijken’ is een fusie. Als algemene term gebruikt men geregeld M&A (mergers & acquisitions = fusies en overnames). Een bedrijf kan ook een bedrijfsonderdeel afsplitsen (spin-off) om een nieuwe zelfstandige entiteit te cre-eren. Vaak zullen aandeelhouders van het moederbedrijf nieuwe aandelen van de dochter ontvangen. Werd de beurskoers nominaal te groot, dan zal men dit soms splitsen in een veelvoud (stock split) om de verhandelbaarheid te verhogen. Omgekeerd worden centjesaandelen soms verenigd (reverse stock split).

Financiële producten

Beleggers kunnen in een hele waaier aan producten beleggen. Naast actief beheerde fondsen (die gewoonlijk via een financiële instelling worden gekocht) kan er belegd worden in beursgenoteerde passieve fondsen, ook wel exchange traded funds (ETF) of trackers genoemd. In plaats van een zo sterk mogelijk resultaat na te streven kopiëren zij de prestatie van een bepaalde index, aan lage beheerskosten. Een index is een korf van aandelen, obligaties, etc. ETF’s kunnen dividenden van onderliggende bestanddelen uitkeren (distributie) of herinvesteren (kapitalisatie). Als er rechtstreeks in de bestanddelen belegd wordt, spreken we van fysieke ETF’s, als dit via een omweg gebeurt over synthetische ETF’s. Met opties kunnen investeerders de mogelijkheid om op een bepaalde datum en aan een bepaalde prijs een effect te kopen (call) of verkopen (put) verhandelen. Via hefboomeffecten (turbo’s) kan er ingespeeld worden op een stijging (long) of een daling (short) van de beurs. Doordat de uitgevende instelling een gedeelte (financieringsniveau) financiert, ontstaat er een hefboom waardoor je een veelvoud verdient/verliest van de prestatie van het onderliggende effect.  Wanneer de waarde van een turbo te sterk daalt, zal het automatisch verkocht worden (stoploss), zodat de uitgever zelf geen risico neemt.